Leer Nederlands met Susa, lerne Niederländisch Leer                                       met Susa!
Home. Nederlands/Niederländisch. Veel plezier/Viel Spaß. Duits/Deutsch. Andere links. Dank. Diverse/n.

Grammaticale termen

Grammatikalische Ausdrücke



Algemeen

Allgemein

regelmatig

regelmäßig

onregelmatig

unregelmäßig

enkelvoud

Einzahl

meervoud

Mehrzahl

bepaald

bestimmt

onbepaald

unbestimmt

het voorvoegsel

die Vorsilbe

het achtervoegsel

die Nachsilbe

Kleiner dan het woord

Kleiner als das Wort

de lettergreep

die Silbe

de medeklinker

der Konsonant

de klinker

der Vokal

De woordsoorten

Die Wortarten

het lidwoord

der Artikel

het zelfstandig naamwoord

das Nomen

de-woord

Nomen mit dem Artikel 'de'

het-woord

Nomen mit dem Artikel 'het'

mannelijk

vrouwelijk

onzijdig

männlich

weiblich

sächlich

het verkleinwoord

das Verkleinerungswort

het bijvoeglijk naamwoord

das Adjektiv

- bijvoeglijk gebruikt

- attributiv gebraucht

- predicatief gebruikt

- prädikativ gebraucht

de trappen van vergelijking

die Steigerungsstufen

- de stellende trap

- der Positiv

- de vertrotende trap

- der Komperativ

- de overtreffende trap

- der Superlativ

het voornaamwoord

das Pronomen

- het persoonlijk voornaamwoord

- das Personalpronomen

- het bezittelijk voornaamwoord

- das Possessivpronomen

- het aanwijzend voornaamwoord

- das Demenstrativpronomen

- het wederkerend voornaamwoord

- das Reflexivpronomen

- het betrekkelijk voornaamwoord

- das Relativpronomen

- het onbepaald voornaamwoord

- das Indefinitpronomen

- het uitroepend voornaamwoord

- das Exklamativpronomen

het werkwoord

das Verb

- het zelfstandig werkwoord

- das Vollverb

- het modaal hulpwerkwoord

- das Modalverb

- het koppelwerkwoord

- das Kopulaverb

- het (on)scheidbaar werkwoord

- das (un)trennbare Verb

- het causatief werkwoord

- das kausative Verb

- (on)overgangelijk werkwoord

- das (in)transitive Verb

het voorzetsel

die Präposition

onbepaalde woorden

unbestimmte Wörter

het vraagwoord

das Fragewort

het telwoord

das Zahlwort

- het hoofdtelwoord

- die Grundzahl

- het rangtelwoord

- die Ordnungszahl

het bijwoord

das Adverb

het voegwoord

die Konjunktion

- het nevenschikkende voegwoord

- die nebenordnende Konjunktion

- het onderschikkend voegwoord

- die unterordnende Konjunktion

De zinsdelen

Die Satzteile

het onderwerp

das Subjekt

het werkwoord

das Verb

het lijdend voorwerp

das direkte Objekt

het meewerkend voorwerp

das indirekte Objekt

het gezegde - het predicaat

das Prädikat

De zinsconstructie

Der Satzbau

de zinsbouw

der Satzbau

de enkelvoudige zin

der einfache/eingliedrige Satz

de samengestelde zin

der zusammengesetzte Satz

de hoofdzin

der Hauptsatz

de bijzin

der Nebensatz

de negatie - de ontkenning

die Negation - die Verneinung

de inversie

die Inversion

het passief

das Passiv

de directe rede

die direkte Rede

de indirecte rede

die indirekte Rede

De tijden van het werkwoord

Die Verbzeiten

o.t.t. (onvoltooid tegenwoordige tijd) - het presens

das Präsens

o.v.t. (onvoltooid verleden tijd) - het imperfectum

das Präteritum

v.t.t. (voltooid tegenwoordige tijd) - het perfectum

das Perfekt

v.v.t. (voltooid verleden tijd) - het plusquamperfectum

das Plusquamperfekt

o.tk.t. (onvoltooid toekomende tijd) - het futurum

das Futur

v.tk.t. (voltooid toekomende tijd) - het futurum exactum


o.v.tk.t. (onvoltooid verleden toekomende tijd) - de conditionalis

das konditionale Präsens

v.v.tk.t. (voltooid verleden toekomende tijd) - de conditionalis perfecti

das konditionale Perfekt

De vormen van het werkwoord

Die Verbformen

de infinitief

der Infinitiv

de stam

der Stamm

der persoonsvorm

die Personalform (finite Verbform)

het onvoltooid deelwoord

das Partizip Präsens

het voltooid deelwoord

das Partizip Perfekt

de imperatief - de gebiedende wijs

der Imperativ, die Befehlsform